Afwijken

In een bestemmingsplan worden bestemmingen van gronden aangewezen voor een bepaald gebied binnen de gemeentegrenzen. Het bestemmingsplan bevat bebouwing- en gebruiksregels.
Een bedrijf of burger kan een (bouw)plan hebben dat niet in het bestemmingsplan past. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht (Wabo) bevatten verschillende bepalingen, die het een gemeente mogelijk maken om mee te werken aan nieuwe initiatieven, die niet passen binnen het bestemmingsplan. Het gaat daarbij om bevoegdheden tot het nemen van de volgende besluiten:
1. Binnenplanse en buitenplanse afwijkingen
2. Bestemmingsplan, tijdelijke afwijking

Voor de grotere afwijkingen van het bestemmingsplan wordt vaak via een "wijziging of herziening van het bestemmingsplan" of via een "projectafwijking" medewerking verleend.

Binnenplanse afwijking (artikel 3.6, lid 1 onder c Wro en artikel 2.12. 1.a. onder 1 Wabo)

Als vastgesteld wordt dat een bouwplan niet past in het geldende bestemmingsplan, zal eerst worden gekeken of het bestemmingsplan zelf regels bevat, waarmee de strijdigheid met het bestemmingsplan kan worden opgeheven. Een in bestemmingsplannen veel voorkomende afwijkingsregel is die waarbij het mogelijk wordt om van een in het plan opgenomen maximale bouwhoogte voor bouwwerken met maximaal 10 procent af te wijken.

Buitenplanse afwijking Wabo (artikel 2.12. 1a. onder 2 Wabo)

Als er geen binnenplanse afwijkingsmogelijkheid is kunnen burgemeester en wethouders afwijking verlenen van het bestemmingsplan in bij Algemene Maatregel van Bestuur aan te geven gevallen. Deze afwijking wordt een buitenplanse afwijking Wabo genoemd (artikel 2.12. 1a.onder 2). De gevallen waarop de buitenplanse afwijking betrekking heeft, staan genoemd in Bijlage II, hoofdstuk, 4, artikel 4 en 5 van het Besluit Omgevingsrecht (Bor). De buitenplanse afwijking heeft vooral betrekking op kleinere bouwplannen: de zogenaamde kruimelgevallen. Hierbij kan gedacht worden aan een uitbreiding van of een bijgebouw bij een woning, maar ook aan een gebruikswijziging van een gebouw in de bebouwde kom. Om duidelijkheid te geven of en op welke wijze de gemeente van de mogelijkheid om een buitenplanse afwijking te verlenen gebruik maakt, heeft het college een beleidsregel opgesteld. U kunt de beleidsregel planologische afwijkingsmogelijkheid op deze site raadplegen.

Deze beleidsregel heeft alleen betrekking op de afwijkingen die vallen onder artikel 2.12 lid 1 onder a, sub 2 van de Wabo.

Bestemmingsplan, tijdelijke afwijkingen (Wabo)

Het is mogelijk om een tijdelijke afwijking van deze bebouwing- en gebruiksregels te verlenen op grond van artikel 2.12 lid 2 van de Wabo. Er dient sprake te zijn van een tijdelijke behoefte. Dit kan voor een periode van maximaal 5 jaar. Denk hierbij aan een noodvoorziening in nieuwe uitbreidingsgebieden, of na een calamiteit, zoals noodwinkels of noodscholen, waarbij het bouwwerk zelf ook een tijdelijk karakter heeft. Een afwijking wordt slechts verleend indien aannemelijk is dat het gebruik niet langer dan 5 jaar zal duren. Er moeten voldoende objectieve aanknopingspunten zijn gegeven dat binnen de instandhoudingtermijn een einde komt aan de tijdelijke situatie. Een mededeling dat het gebruik na een bepaald aantal jaren wordt gestaakt, is onvoldoende.